FOTO:HERMAN ENGBERS / DE BEELDUNIE

ONDERZOEK
Vogels in de race tegen
het voorjaar

FOTO:HERMAN ENGBERS / DE BEELDUNIE

Xiuxiang Pan – Ruimtelijke Wetenschappen
People cannot choose where they are born, but they can choose where they belong.

STELLING

Christiaan Both (1969) is al van jongs af aan
een fanatieke vogelaar. Hij studeerde biologie in Wageningen, Groningen en Oxford en werd in 2012 hoogleraar dierecologie aan de RUG. Both onderzoekt hoe klimaatverandering de seizoenstiming in vogellevens beïnvloedt. Zijn werk aan trekvogels is internationaal toonaangevend.

TEKST: NIENKE BEINTEMA

Een kwart eeuw geleden was bioloog Christiaan Both een van de ontdekkers van de zogeheten ‘mismatch’ tussen broedseizoen en voedselpiek: veel vogels broeden te laat, nu de lentes
vroeger vallen. De vogels kunnen zich wel aanpassen, bleek uit vervolgonderzoek. Maar geldt
dat voor alle soorten – en gaat het snel genoeg?

Vanaf 2007 kon Both met een Vidi-beurs van NWO aan de slag aan de Rijksuniversiteit Groningen. Met hulp van promovendi en talloze studenten zette hij een meetnetwerk op van zo’n duizend nestkasten in Zuidwest-Drenthe. Een monnikenwerk: ieder jaar volgden en ringden ze zoveel mogelijk bonte vliegenvangers, en noteerden ze wanneer de oudervogels precies uit Afrika arriveerden.

“Ik wilde uitzoeken: hoe doen die vogels dat nou, die vervroeging? Zit daar iets genetisch in? Daarom ben ik in stambomen gaan kijken of ouders die vroeg aankomen, ook jongen krijgen die later in hun leven zelf vroeg gaan aankomen. Dat bleek zo te zijn.”

Er is dus enige mate van aanpassing mogelijk, concludeerden de biologen in de jaren die volgden. Is dat goed nieuws, in de context van klimaatverandering? “Het ligt genuanceerd”, antwoordt Both. “De bonte vliegenvanger is de kampioen aankomst-vervroegen – en zelfs die past zich nog niet genóeg aan. En andere trekvogels, zoals fitis en boerenzwaluw, vervroegen helemaal niet.” Overigens is het voorjaar sinds 2006 niet nóg verder vervroegd. Klimaatverandering zit hem nu vooral in de extremere temperaturen, niet meer in verdere vervroeging. En dat is maar goed ook, want de broedvogels lopen met hun timing dus nog altijd achter.

Naar Zweden gereden
Kunnen vogels zich ook niet op andere manieren aanpassen? Bijvoorbeeld door verder door te vliegen naar het noorden, waardoor ze de lente als het ware ‘inhalen’? “Daar is nog heel weinig over bekend”, zegt Both. “En het is ook heel lastig te onderzoeken.”

Both onderzocht het in recente jaren. Iets van aanwijzingen heeft hij daardoor nu wel – en die wijzen in de richting van behoorlijke plaatstrouw: de vogels broeden ongeveer waar ze zelf zijn geboren. Maar ook in Zweden leven bonte vliegenvangers, en die broeden twee weken later dan die in Nederland. Met dat gegeven in het hoofd heeft Both met promovenda Koosje Lamers een opmerkelijk onderzoek uitgevoerd: “Vrouwtjes die hier in Nederland arriveerden, hebben we gevangen en in één nacht naar Zweden gereden, naar een gebied met nestkasten. Sommige verdwenen, andere vlogen linea recta terug naar Nederland, maar ongeveer één derde ging lokaal broeden met een Zweedse man. Die gemengde Nederlands-Zweedse paren broedden twee weken eerder dan lokale Zweedse paren. En: ze brachten bijna twee keer zoveel jongen voort. Dus ja, zelf doorvliegen naar Zweden zou voor Nederlandse vliegenvangers inderdaad een succesvolle strategie zijn.”

Ambassadeur
Het verplaatsingsexperiment stond in 2023 in Nature. Maar nog steeds is Both niet klaar: hij werkt nog altijd aan de vragen die nog openstaan. Welke rol spelen bijvoorbeeld de omgevingsfactoren in de Afrikaanse overwinteringsgebieden? “Als je het aanpassingsvermogen van trekvogels wilt begrijpen, dan heb je een beeld van hun hele jaarcyclus nodig. Maar we weten nog maar ontstellend weinig van wat ‘onze’ vogels in Afrika allemaal meemaken.”

Ook willen Both en zijn team graag verder uitpluizen wat de ecologische gevolgen zijn als soorten zich op verschillende tempo’s – of zelfs helemaal niet – aanpassen. “Als je dat echt wilt weten, dan zul je moeten méten hoe soorten elkaar beïnvloeden. Een belangrijke component daarvan is: meten wie wat eet. Daar doen we onderzoek naar met nieuwe dna-technieken. Ja, we analyseren de vogelpoepjes! Daarmee kunnen we ook de link gaan leggen naar de achteruitgang van de insecten, en plaagbestrijding in de landbouw.”

Want ja, het onderzoek mag dan wel heel fundamenteel van aard zijn, maar een toepassing is er wel degelijk, benadrukt Both: “Als je de wereld leefbaar wilt houden, dan moet je eerst weten hoe die functioneert. En vervolgens hoe wij daar invloed op hebben. Als we die boodschap willen verspreiden, dan hebben we verhalen nodig. Het verhaal van de bonte vliegenvanger is daarvoor heel geschikt. Hij is nu de ambassadeur voor de ‘mismatch’. Net als de grutto dat is voor de weiden, en de lepelaar voor de Wadden.”

De ontdekking uit 2001 haalde de kranten, de studieboeken en zelfs de beleidsrapporten: door klimaat-verandering begint de lente steeds eerder. De bomen lopen eerder uit, waardoor ook de piek in het aantal rupsen naar voren is geschoven, soms wel twee hele weken. Maar trekvogels arriveren nog altijd rond dezelfde datum uit hun overwinteringsgebieden. Daardoor beginnen ze feitelijk te laat met broeden: zodra hun jongen uit het ei komen, is de rupsenpiek alweer voorbij. Deze ‘mismatch’ was destijds een opzienbarende ontdekking van Nederlandse biologen. Ze haalden er het tijdschrift Nature mee.

Een van hen was Christiaan Both, tegenwoordig hoogleraar aan de RUG. “Ik werkte toen bij het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO)”, vertelt hij. “Daar volgen biologen al sinds 1955 vogels die in nestkasten broeden, waaronder koolmezen en bonte vliegenvangers. Daarvan zijn dus fantastische datareeksen beschikbaar.”

Het leuke aan nestkasten is dat je hun vogelbewoners heel goed kunt volgen, legt Both uit. Je kunt precies noteren wanneer ze eieren leggen, hoeveel, wanneer die uitkomen, hoeveel jongen er groot worden... en heel belangrijk: je kunt de jongen ringen. Als je ze later terugvangt als volwassen vogels, kun je dus volgen welke met elkaar paren, welke er succesvol jongen voortbrengen, hoe oud ze worden... “Rond 2001 wisten we dus al decennialang alle details van die populaties. Heel uniek.”

Nog steeds te laat
Koolmezen blijven het hele jaar door in Nederland, maar bonte vliegenvangers zijn trekvogels. Zij brengen onze winters door in West-Afrika. “De vrouwtjes komen half april aan in Nederland, en hebben dan een dag of tien de tijd om een man te kiezen en een nest te bouwen”, vertelt Both. “Maar koolmezen zijn dus standvogels. Die beginnen twee weken eerder met leggen. Dat intrigeerde mij. Koolmezen kunnen hun eileg aanpassen aan de omstandigheden hier in Nederland, maar bonte vliegenvangers niet. Hoe zouden die in Afrika kunnen weten hoe warm het in Nederland is?”

Both en zijn collega Marcel Visser analyseerden data van 1980 tot 2000. “In die periode is de lente gemiddeld twee weken naar voren geschoven”, zegt Both. “En we zagen dat de bonte vliegenvangers een dag of vijf eerder zijn gaan broeden. Best indrukwekkend, in zo’n korte tijd, maar niet genoeg: de vogels waren nog steeds te laat voor de rupsenpiek.”

Monnikenwerk
De vervolgvraag was: heeft dat gevolgen voor de aantallen vliegenvangers? “Gelukkig zijn er in Nederland ongelooflijk veel vrijwillige waarnemers die het leuk vinden om nestkastonderzoek te doen”, vertelt Both, “in allerlei verschillende gebieden. Daardoor konden we zien dat de vliegenvangers vooral in de rijkere loofbossen enorm achteruit waren gegaan. In naaldbossen deden ze het nog relatief goed.”

Vogels in
de race tegen
het voorjaar

FOTO:HERMAN ENGBERS / DE BEELDUNIE

ONDERZOEK

Vanaf 2007 kon Both met een Vidi-beurs van NWO aan de slag aan de Rijksuniversiteit Groningen. Met hulp van promovendi en talloze studenten zette hij een meetnetwerk op van zo’n duizend nestkasten in Zuidwest-Drenthe. Een monnikenwerk: ieder jaar volgden en ringden ze zoveel mogelijk bonte vliegenvangers, en noteerden ze wanneer de oudervogels precies uit Afrika arriveerden.

“Ik wilde uitzoeken: hoe doen die vogels dat nou, die vervroeging? Zit daar iets genetisch in? Daarom ben ik in stambomen gaan kijken of ouders die vroeg aankomen, ook jongen krijgen die later in hun leven zelf vroeg gaan aankomen. Dat bleek zo te zijn.”

Er is dus enige mate van aanpassing mogelijk, concludeerden de biologen in de jaren die volgden. Is dat goed nieuws, in de context van klimaatverandering? “Het ligt genuanceerd”, antwoordt Both. “De bonte vliegenvanger is de kampioen aankomst-vervroegen – en zelfs die past zich nog niet genóeg aan. En andere trekvogels, zoals fitis en boerenzwaluw, vervroegen helemaal niet.” Overigens is het voorjaar sinds 2006 niet nóg verder vervroegd. Klimaatverandering zit hem nu vooral in de extremere temperaturen, niet meer in verdere vervroeging. En dat is maar goed ook, want de broedvogels lopen met hun timing dus nog altijd achter.

Naar Zweden gereden
Kunnen vogels zich ook niet op andere manieren aanpassen? Bijvoorbeeld door verder door te vliegen naar het noorden, waardoor ze de lente als het ware ‘inhalen’? “Daar is nog heel weinig over bekend”, zegt Both. “En het is ook heel lastig te onderzoeken.”

Both onderzocht het in recente jaren. Iets van aanwijzingen heeft hij daardoor nu wel – en die wijzen in de richting van behoorlijke plaatstrouw: de vogels broeden ongeveer waar ze zelf zijn geboren. Maar ook in Zweden leven bonte vliegenvangers, en die broeden twee weken later dan die in Nederland. Met dat gegeven in het hoofd heeft Both met promovenda Koosje Lamers een opmerkelijk onderzoek uitgevoerd: “Vrouwtjes die hier in Nederland arriveerden, hebben we gevangen en in één nacht naar Zweden gereden, naar een gebied met nestkasten. Sommige verdwenen, andere vlogen linea recta terug naar Nederland, maar ongeveer één derde ging lokaal broeden met een Zweedse man. Die gemengde Nederlands-Zweedse paren broedden twee weken eerder dan lokale Zweedse paren. En: ze brachten bijna twee keer zoveel jongen voort. Dus ja, zelf doorvliegen naar Zweden zou voor Nederlandse vliegenvangers inderdaad een succesvolle strategie zijn.”

Ambassadeur
Het verplaatsingsexperiment stond in 2023 in Nature. Maar nog steeds is Both niet klaar: hij werkt nog altijd aan de vragen die nog openstaan. Welke rol spelen bijvoorbeeld de omgevingsfactoren in de Afrikaanse overwinteringsgebieden? “Als je het aanpassingsvermogen van trekvogels wilt begrijpen, dan heb je een beeld van hun hele jaarcyclus nodig. Maar we weten nog maar ontstellend weinig van wat ‘onze’ vogels in Afrika allemaal meemaken.”

Ook willen Both en zijn team graag verder uitpluizen wat de ecologische gevolgen zijn als soorten zich op verschillende tempo’s – of zelfs helemaal niet – aanpassen. “Als je dat echt wilt weten, dan zul je moeten méten hoe soorten elkaar beïnvloeden. Een belangrijke component daarvan is: meten wie wat eet. Daar doen we onderzoek naar met nieuwe dna-technieken. Ja, we analyseren de vogelpoepjes! Daarmee kunnen we ook de link gaan leggen naar de achteruitgang van de insecten, en plaagbestrijding in de landbouw.”

Want ja, het onderzoek mag dan wel heel fundamenteel van aard zijn, maar een toepassing is er wel degelijk, benadrukt Both: “Als je de wereld leefbaar wilt houden, dan moet je eerst weten hoe die functioneert. En vervolgens hoe wij daar invloed op hebben. Als we die boodschap willen verspreiden, dan hebben we verhalen nodig. Het verhaal van de bonte vliegenvanger is daarvoor heel geschikt. Hij is nu de ambassadeur voor de ‘mismatch’. Net als de grutto dat is voor de weiden, en de lepelaar voor de Wadden.”

FOTO: HERMAN ENGBERS / DE BEELDUNIE

Xiuxiang Pan – Ruimtelijke Wetenschappen
People cannot choose where they are born, but they can choose where they belong.

STELLING

De ontdekking uit 2001 haalde de kranten, de studieboeken en zelfs de beleids-rapporten: door klimaatverandering begint de lente steeds eerder. De bomen lopen eerder uit, waardoor ook de piek in het aantal rupsen naar voren is geschoven, soms wel twee hele weken. Maar trekvogels arriveren nog altijd rond dezelfde datum uit hun overwinterings-gebieden. Daardoor beginnen ze feitelijk te laat met broeden: zodra hun jongen uit het ei komen, is de rupsenpiek alweer voorbij. Deze ‘mismatch’ was destijds een opzienbarende ontdekking van Nederlandse biologen. Ze haalden er het tijdschrift Nature mee.

Een van hen was Christiaan Both, tegenwoordig hoogleraar aan de RUG. “Ik werkte toen bij het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO)”, vertelt hij. “Daar volgen biologen al sinds 1955 vogels die in nestkasten broeden, waaronder koolmezen en bonte vliegenvangers. Daarvan zijn dus fantastische datareeksen beschikbaar.”

Het leuke aan nestkasten is dat je hun vogelbewoners heel goed kunt volgen, legt Both uit. Je kunt precies noteren wanneer ze eieren leggen, hoeveel, wanneer die uitkomen, hoeveel jongen er groot worden... en heel belangrijk: je kunt de jongen ringen. Als je ze later terugvangt als volwassen vogels, kun je dus volgen welke met elkaar paren, welke er succesvol jongen voortbrengen, hoe oud ze worden... “Rond 2001 wisten we dus al decennialang alle details van die populaties. Heel uniek.”

Nog steeds te laat
Koolmezen blijven het hele jaar door in Nederland, maar bonte vliegenvangers zijn trekvogels. Zij brengen onze winters door in West-Afrika. “De vrouwtjes komen half april aan in Nederland, en hebben dan een dag of tien de tijd om een man te kiezen en een nest te bouwen”, vertelt Both. “Maar koolmezen zijn dus standvogels. Die beginnen twee weken eerder met leggen. Dat intrigeerde mij. Koolmezen kunnen hun eileg aanpassen aan de omstandigheden hier in Nederland, maar bonte vliegenvangers niet. Hoe zouden die in Afrika kunnen weten hoe warm het in Nederland is?”

Both en zijn collega Marcel Visser analyseerden data van 1980 tot 2000. “In die periode is de lente gemiddeld twee weken naar voren geschoven”, zegt Both. “En we zagen dat de bonte vliegenvangers een dag of vijf eerder zijn gaan broeden. Best indrukwekkend, in zo’n korte tijd, maar niet genoeg: de vogels waren nog steeds te laat voor de rupsenpiek.”

Monnikenwerk
De vervolgvraag was: heeft dat gevolgen voor de aantallen vliegenvangers? “Gelukkig zijn er in Nederland ongelooflijk veel vrijwillige waarnemers die het leuk vinden om nestkast-onderzoek te doen”, vertelt Both, “in allerlei verschillende gebieden. Daardoor konden we zien dat de vliegenvangers vooral in de rijkere loofbossen enorm achteruit waren gegaan. In naaldbossen deden ze het nog relatief goed.”

Christiaan Both (1969) is al van jongs af aan een fanatieke vogelaar. Hij studeerde biologie in Wageningen, Groningen en Oxford en werd in 2012 hoogleraar dierecologie aan de RUG. Both onderzoekt hoe klimaatverandering de seizoenstiming in vogellevens beïnvloedt. Zijn werk aan trekvogels is internationaal toon-aangevend.

Een kwart eeuw geleden was bioloog Christiaan Both een van de ontdekkers van de zogeheten ‘mismatch’ tussen broedseizoen en voedselpiek: veel vogels broeden te laat, nu de lentes
vroeger vallen. De vogels kunnen zich wel aanpassen, bleek uit vervolg-onderzoek. Maar geldt dat voor alle soorten – en gaat het snel genoeg?

TEKST: NIENKE BEINTEMA